Met de duim omhoog het Zuidereiland rond

mei 29 2011

Met de duim omhoog het Zuidereiland rond

Een geïmmigreerde Nederlander en zijn verse vriendin uit Christchurch, een Duitse moeder van twee zonen, een bijna-gepensioneerde property manager en zijn vrouw, een gletsjergids, een thuiswerkende vrouw die me probeert te overtuigen om rimpelcrèmes te verkopen in haar verkoopspiramide, een roodharige hippie die seizoenswerk doet in de wijngaarden, een vrouw en haar zoontje die een kleine 100 km rijden om boodschappen te gaan doen, een vrachtwagenchauffeur die bloemen transporteert, een windmolenmechanicus en zijn hondje, een Deense immigrant met een jachtgeweer en dode eenden op de achterbank, twee Duitse toeristen in een huurwagen, een kokkin, een Engelse garagist die hier een garage wil beginnen, een fotografe, een koeskoeshuidenbewerker, een Nederlander die met Frans Bauer op school gezeten heeft en – jawel – Nederlandse carnavalmuziek beluistert, een professionele rattenvanger met afasie…

Liften is niet alleen goedkoop, het is ook bijzonder interessant. Je komt allerlei mensen tegen die je normaal gezien gewoon voorbij zou lopen. En het gaat fantastisch goed in Nieuw-Zeeland. Het was begonnen als een experiment, maar omdat het zo gemakkelijk ging (meestal toch) ben ik ondertussen het hele Zuidereiland al liftend rondgetrokken.

Op woensdag 20 april rond 14u ‘s middags stond ik in een stralende herfstzon met mijn duim omhoog op de hoofdstraat (de grootste van de twee) van Lake Tekapo. Brett en zijn vrouw, allebei rond de 60 jaar (die vraag over het pensioen had ik beter niet gesteld), pikten me op en vuurden talloze vragen af. In Twizel, een schattig mijnwerkersdorpje gebouwd in de jaren zeventig, gingen ze een paar dagen bij hun zoon blijven. Ik maakte een wandeling rond het dorpje door de prachtige herfstkleuren, met als enige gezelschap een paar opgeschrikte eenden en konijnen, en starende schapen en koeien. De volgende morgen pikte Brett me op voor een dagtrip naar Mount Cook, met 3766 meter de hoogste berg in Nieuw-Zeeland. Met een afritsbroek, thermische waterdichte T-shirt, 2 paar stevige sokken, degelijke wandelschoenen, UV-werende zonnebril, handschoenen, een multifunctionele pet, wandelstokken, heuptas en 3 fototoestellen dacht Brett wel goed uitgerust te zijn. Daar stond ik met mijn jeansbroek, katoenen T-shirt, winterjas en K-mart schoentjes. Gelukkig was het prachtig weer en onze 5 uur durende trek met spectaculaire uitzichten verliep bijna vlekkeloos. Af en toe werden we opgeschrikt door het gigantische lawaai van sneeuwlawines, maar gelukkig waren die aan de andere kant van de vallei.

De volgende halte op mijn agenda was Oamaru, aan de oostkust, maar het lot zorgde ervoor dat ik even een omweg maakte. Ian, de roodharige hippie was namelijk onderweg naar een festivalletje, Autumn Arena genaamd, in de heuvels net buiten Oamaru. Voor 50 dollar kon ik er 4 nachten blijven slapen, eten en alle workshops volgen. Op de parkeerwei stonden tientallen felgekleurde auto’s, busjes en woonwagens geparkeerd. Ian, mijn chauffeur, werd meteen verwelkomd door een aantal warme hippieknuffels. Mijn slaapplaats voor de eerste nacht werd een plekje op de strobalen onder een afdak. Jammer genoeg wist ik toen nog niet dat alle kinderen daar ook sliepen. Ik maakte een bedje in het stro en ging nieuwsgierig op verkenning. Naast de parkeerwei was letterlijk een soort arena gemaakt met groene heuvels. Via een paadje liep ik de arena binnen en wist ik even niet waar kijken. In het midden van de arena waren een aantal mensen bezig met een kampvuur te maken. Tegen de heuvelflanken waren een paar kleurrijke huisjes gebouwd. Eén huis deed dienst als café, recht tussen het podium en de enorme open keuken, het andere was ingericht als kinderruimte. Overal waar ik keek, waren mensen bezig met creatieve dingen: poi (traditionele jongleerkunst van de Maori’s), contact juggling, muziek, eenwieler, vuur maken, Mayakalender, enz. Die avond was er een potluck dinner (iedereen maakt een gerecht en dat wordt gedeeld) en daarna een optreden van de poi-jongleerders met vuur in het donker, echt indrukwekkend. Daarna was het kampvuurtijd, met muziek uiteraard! Gitaren, djembe’s, didgeridoo, mondharmonica, hang-drums, mondharp, noem maar op. Urenlang genoot ik van het jammen.

Na een onrustige en koude nacht, geplaagd door stro op verkeerde plaatsen, bevroren ledematen en het geluid van regen op het afdak, werd ik uit mijn slaap gerukt door kinderen die op mijn slaapzak sprongen en praatten met een volume dat in de machinekamer van een kerncentrale thuishoort. Met mijn ogen half dicht ging ik bij het smeulende kampvuur zitten om mijn lichaam te ontdooien. Dan was het tijd voor een workshop Qi Gong, een soort tai chi, maar dan veel spiritueler. Ik luisterde naar de vreemde leraar, die met een gelukzalige glimlach en rollende ogen in trance verkeerde, terwijl hij vroeg of we de energie van dit of dat voelden, de kracht die door ons lichaam stroomde. Ik voelde vooral slaapgebrek, honger en stijve spieren. Weer een sport die ik van mijn lijstje kan schrappen. De rest van die en de volgende dag leerde ik o.a. nog didgeridoo spelen, djembe spelen, vuur maken, contact juggling, poi, permacultuur, maar wat me het meest fascineerde was de hang-drums. Ik had ze in Barcelona al gezien, daar zijn ze populair bij de straatmuzikanten, maar ik had er nog nooit eentje van dichtbij gezien. Het lijkt een beetje op twee woks die aan elkaar zijn vastgemaakt, zodat je een halfplatte bol krijgt. Je speelt het met je handen en vingers, terwijl de drum op je schoot ligt. Er komen 8 noten uit, met een heldere gongklank. De hangs worden in Zwitserland gemaakt door één bepaalde familie en er zijn er dus maar heel weinig in omloop. Als je er eentje wil kopen, moet je een tijdje bij hen gaan wonen en dan bekijken ze of je waardig genoeg bent om er één te bezitten.

Op de laatste dag rook elke vierkante centimeter van mijn lichaam en mijn kleren naar kampvuur, en terwijl ik mijn tanden stond te poetsen kwam de gastvrouw voorbij en ze zei met een zelfbewuste glimlach “Ooh, haven’t done that in a while!”. Met andere woorden, de douche in Oamaru deed me enorm veel deugd. Nagenietend van het warme water en de geweldige ervaringen van de voorbije dagen kuierde ik door het schattige kuststadje. Oamaru heeft twee grote obsessies: pinguins en steampunk. Steampunk is een stroming die gefascineerd is door alles wat zich in het stoomtijdperk (19de eeuw) afspeelde. In Oamaru worden dus geregeld festivals georganiseerd waarbij de stoomtrein uit de hangars komt en iedereen zich verkleedt in Victoriaanse kledij. Maar voor sommige mensen is het een full-time bezigheid. Zo kan je in het oude stadsgedeelte het werk van boekbinders, beeldhouwers, kleermakers enz. bezichtigen. De pinguins zijn een beetje het symbool van de stad: pinguinpostzegels, pinguinburgers, pinguincocktails, zelfs een pinguinkerk kan je er vinden. Rond zonsondergang komen ze op hun kenmerkende schattige manier het strand opgewaggeld, tussen de zeehonden door, om tussen de rotsen en planten te overnachten.

Om de kosten te drukken ging ik een paar dagen ‘wwoofen’ (werken in ruil voor eten en overnachting) in een hostel/kunstgalerij. Eerste vraag die ze me stelden: ‘Kan jij schaken?’ ‘Euh, ja, waarom?’ Mijn eerste ‘job’ was schaakstukken schilderen voor het alternatieve schaakspel. Blijkbaar zijn de schaakstukken zo gegeerd dat ze regelmatig worden ontvoerd door de backpackers. Al betwijfel ik dat mijn meesterwerken zo populair zullen zijn.

Mijn sympathieke medewwoofers Erik en Mona uit Duitsland vertrokken een paar dagen later naar Dunedin en het leek mij ideaal om al liggend in hun busje achteraan mee te reizen. Mja, even was het leuk, maar na een paar uur heen en weer rollen met mijn bagage deed het toch wel deugd om weer even mijn benen te strekken. In Dunedin werd ik verwelkomd door Logan, een Amerikaanse student die ik op Autumn Arena had leren kennen. Een week lang mocht ik op zijn couch slapen terwijl ik de studentenstad en de omgeving ontdekte. Ik ging naar nog een festivalletje, waar ik veel oude bekenden weer tegenkwam, op een klif met uitzicht over een prachtig strand met grote golven. Ik beklom de steilste straat ter wereld en probeerde voorzichtig een stukje naar beneden te rijden met Logans mountainbike, maar gaf al gauw op toen het te gevaarlijk werd. Verschillende studenten zijn er al gestorven na zatte ritjes in winkelwagentjes of vuilnisbakken. Met Erik en Mona bezocht ik de brouwerij van Speight’s, het kenmerkende bier van Zuid-Nieuw-Zeeland. Hun imago is er eentje van “the Southern man”, een soort Brokeback Mountain-achtige machocowboy, maar dan zonder het homo-aspect. Na de rondleiding kregen we een half uur tijd om alle variëteiten te proeven en te kijken hoe Southern we waren. Met de mountainbike verkende ik het Otago-schiereiland met zijn prachtige landschappen, albatrossen, zeehonden en pinguins, en ondanks de platte band fietste ik de volledige 75km uit.

Volgende halte was Invercargill, de meest zuidelijke stad in Nieuw-Zeeland en een van de zuidelijkste ter wereld. Het was vrijdagavond en een van mijn chauffeurs legde me uit dat het dat weekend duckshooting weekend was, een jaarlijkse traditie waarbij alle mannen met hun vrienden een weekend de bossen intrekken en vanuit een hut eenden gaan schieten. De voornaamste remedie tegen bevriezen in de hutten is drinken, veel drinken… Al zijn er ook een paar luxe-hutten met verwarming, bedden, playstation en alles erop en eraan. (Eenden? Welke eenden?) Voor de arme vrouwtjes die thuis achterblijven, worden allerlei girly deals georganiseerd in restaurants en shopping weekends enz. Ik leerde ook dat de echte Southerners de mensen van het noorden Jafa’s noemen (Just Another Fucking Aucklander). Tijdens het liften kwam ik op een verlaten plek terecht waar het zo stil was dat ik de auto’s 1 minuut op voorhand kon horen komen en mijn eigen stem hoorde galmen. In de verte weerklonken zatte geweerschoten.

Van hieruit kon ik maar een kant op, terug naar het noorden, richting Queenstown, de adrenalinehoofdstad van Nieuw-Zeeland, en misschien ook wel de wereld. Onderweg genoot ik van de prachtige glimwormgrotten van Te Anau. met een bootje voeren we de spectaculaire grotten in tot alles pikzwart was. Alles behalve de duizenden blauwe lichtjes aan het plafond. De glimwormen hebben namelijk een lichtgevende kont die insecten aantrekt. Rond de wormen hangen miljoenen slijmerige draadjes waarin de insecten dan verstrikt geraken. Het deed een beetje denken aan de roltrap van UGC in Antwerpen, maar dan net iets indrukwekkender. Met 2 Duitse meisjes verkende ik de pracht en praal van de Milford Sound, een grote groene fjord met torenhoge watervallen, imposante rotswanden en vrolijke dolfijnen, zeehonden en pinguins. Enige spelbrekers waren de sandflies, irritante kleine vliegjes die hardnekkig op zoek gaan naar stukjes bloot mensenvlees en dan een jeukende rode vlek achterlaten. De Maorimythe vertelt dat een godin de Milford Sound had gemaakt, maar omdat het zo mooi was, wilden de mensen niet meer werken en zaten ze de hele dag naar de natuurlijke schoonheid te gapen. Om de mensen dan toch maar bezig te houden, stuurde de godin ettelijke zwermen sandflies op hen af. Zelfs de zeehonden hebben er last van en blijven om die reden meestal in het water.

Queenstown is best een mooie plek. Vanop de bergflanken heb je een geweldig uitzicht over het stadje, met een paar parachutisten verspreid over de hemel en het verre gebrom van een extreme jetboat op het meer. In de verte doemen verschillende Lord of the Rings-locaties op en het voelt alsof Gollum achter elke boom kan zitten gluren. My precioussssss. Ik genoot van een paar ritjes op de panoramische rodelbaan, zag mijn eerste kiwi (de vogel uiteraard, de vrucht wordt hier altijd ‘kiwifruit’ genoemd) in het wildlife park en smulde van misschien wel de beste hamburger die ik ooit heb gegeten in het bekende Fergburger-restaurant. ‘s Avonds nam ik deel aan een poolwedstrijd en tot iedereens verbazing won ik! De andere kandidaten waren zeker beter dan ik, maar met een beetje geluk schopte ik het tot de finale en mijn rivaal verknoeide zijn laatste schot. Mijn prijs was 100 dollar aan drinkgeld. Het werd een mooie avond.

Mijn verjaardag vierde ik met een Franse vriendin in Wanaka. Na een lekkere Indiase curry met hertenvlees en gratis brownie met verjaardagskaarsje (het personeel heeft zelfs gezongen voor mij!) trokken we naar ongeveer het enige café in het stadje dat open was. Er waren pooltafels en… karaoke! Jawel, beter kon niet voor mijn verjaardag.

Na Wanaka begon het liften moeizaam te verlopen, want ik bevond me op de enige weg in het westen van het zuidereiland, een weg die bijna uitsluitend gebruikt wordt door toeristen, met een frequentie van ongeveer 1 auto elke 10 minuten. Die toeristen zijn ofwel Aziatisch (60%) en dus bang van iedereen ofwel reizen ze als echte backpackers met 5 mensen en een ton bagage in een auto. Slechte vooruitzichten dus en zo kwam het dat ik net niet mijn persoonlijk liftwachtrecord verbroken heb. Zes uur lang wachtte ik met mijn Zweedse lotgenoot op een vriendelijke bestuurder. (persoonlijk record is 8 uur in Noorwegen) Viktor de Zweed stond al 3 uur te liften voor ik hem gezelschap kwam brengen. De liftetiquette vereist dan dat je samen begint te liften ofdat je een beetje verder gaat staan als tweede keus. Ik heb het al een tiental keer meegemaakt deze reis, zo populair is liften hier. Ik heb zelfs gehoord dat ze ergens een liftstation hebben, waar je rustig kan gaan zitten en een boek lezen terwijl je wacht op een auto. De laatste 3 uur van onze wachttijd waren Viktor en ik alvast beginnen wandelen richting het volgende dorp (35km) voor het geval niemand ons zou oppikken. En tot overmaat van ramp begon het te regenen. Als engelen uit de hemel kwamen Lobke en Dries ons uit de nood helpen. Jawel, een Vlaams koppel met een luxueus busje met extra slaapruimte, zodat we die nacht een smal maar comfortabel bed hadden en gezellig konden kaarten en film kijken in het busje.

Na een wandeling door de stortregen naar de bekende Franz Josefgletsjer, waarbij geen millimeter van mijn lichaam droog bleef, trok ik de volgende dag verder met een nieuwe liftgenoot, Chicco, uit Italië. Onze chauffeur Rob, uit Engeland, bracht ons op twee dagen tijd helemaal naar de noordkant van het eiland, met een paar handige sightseeing-haltes onderweg. Het weer was helemaal gekeerd en hij zette ons af voor het huis van Steve de hippie in de warme zonnige Marahau-vallei. Steve was de eigenaar van de hang-drums die ik op Autumn arena had leren kennen. In Marahau woont hij in een zelfvoorzienende gemeenschap met een tiental hippiefamilies in een idyllische omgeving. De zelfgebouwde huizen en omgebouwde bussen en caravans staan in een oase van fruitbomen, tuinen en dicht Nieuw-Zeelands oerwoud. Overal vliegen vlinders en waaierstaarten (kleurrijke hyperactieve vogeltjes die niet bang zijn van mensen) Het interieur van de huizen is gezellig en creatief ingericht en de mensen zijn er heel warm.

Na een deugddoende nacht en een geweldig vers ontbijt van oatmeal met zelf geproduceerde honing en feijoas uit de tuin (welkome afwisseling na weken ontbijt van koekjes en wortelen) begon Steve op de hang drum te tokkelen. Ik zette me aan de piano en begon te improviseren en het klonk allemaal best goed. Op een gegeven moment zag ik een waaierstaart het huis binnenvliegen en op een van de klimplanten boven ons neerstrijken. En dan begon hij mee te zingen. Het vogeltje reageerde op de motiefjes die ik op de piano speelde en op de betoverende klanken van de hang-drum. Na een minuut vloog het vogeltje weer vrolijk verder. Echt magisch!

Samen met Chicco werkte ik een paar dagen in de moestuin, bij de houtstapel en aan het zelfgemaakte zwembad. Daar moesten we een ijverig bamboebos een beetje bijtrimmen en met de tractor (die ik nu kan besturen) naar de brandstapel brengen. We werden beloond met superlekker en vers eten op regelmatige tijdstippen en een gezellig muzikaal kampvuur met alle buren.

Volgende halte was Nelson, waar ik wederom ontvangen werd door een vriendin van Atumn Arena. Deze keer was het de gastvrije Antwerpse Ann met haar dochtertje, die recent naar hier verhuisd is. In Nelson stond ik op het geografische middelpunt van Nieuw-Zeeland en bezocht ik het plaatselijke Bokrijk.

En voor ik het goed en wel besefte, stond ik in Picton aan het uiterste randje van het Zuidereiland. Na een indrukwekkende wandeling door de Marlborough Sounds en een ontspannende avond in de jacuzzi van de jeugdherberg stapte ik de Interislander ferry op, die me naar het Noordereiland zou voeren, met zes weken vol goede herinneringen achter de rug, klaar voor een nieuw avontuur.

0 Comments
Share Post
No Comments

Post a Comment