Zeil je voor het eerst…

jun 26 2011

Zeil je voor het eerst…

…dan sla je een flater. Maar net als Bart Kaell trok ik het me niet aan en ging ik door tot later. Een krachtige bries sloeg in de zeilen en ik stuurde tegen zodat de boot met volle kracht vooruit voer. Ik zweefde aan een indrukwekkende 7 knopen – wel, indrukwekkend voor een beginner in de omstandigheden – op het blauwe water van de Hauraki-golf in de richting van de jachthaven van Whangaparaoa. Met een biertje in de hand genoot ik van het herfstzonnetje en het gevoel van vrijheid en de absolute stilte. Aan de horizon straalde de skyline van Auckland.

Twee weken eerder baande ik me een weg door een horde reizigers in de ferryterminal van Wellington. Voor het gebouw stonden tientallen auto’s met blije vrienden, moeders, vaders, kinderen en een lange rij taxi’s en dure shuttles naar het stadscentrum. Het was zondagavond, een uur of tien, in de hoofdstad van Nieuw-Zeeland, en er was geen openbaar vervoer om honderden passagiers van de ferry naar het centrum te brengen. Teleurgesteld en koppig liep ik met mijn twee rugzakken en mijn gitaar de weg op om dan maar te voet de weg te zoeken. Ik volgde de autoweg langs verlaten industrieterreinen, klom over hekken en vangrails en kwam na een uurtje zwoegen bij het centraal station terecht. Daar stortte ik neer in de eerste jeugdherberg die ik tegenkwam, een donker en ouderwets gebouw met onvriendelijke mensen. “Just one night, please…”

De volgende morgen liep ik het stadscentrum in, op zoek naar een betere slaapplaats. Na een tiental minuten kwam ik geheel toevallig Viktor tegen, de Zweedse liftkameraad waarmee ik bijna mijn wachtrecord had verbroken in het Zuiden. Hij was alweer op weg naar de volgende bestemming. Hij gaf me wat handige tips en stuurde me de goede richting op. Het voelde vreemd om weer in een grote stad te zijn, na 6 weken platteland en kleinere stadjes. De volgende dagen genoot ik van de kruidentuin, de tram die de heuvelflank oprijdt en het indrukwekkende gratis Te Papa museum, waar je gerust een tweetal dagen kan verdwalen in interactieve tentoonstellingen over alle aspecten van Nieuw-Zeelandse en internationale cultuur, natuurwetenschappen en geschiedenis. Zo kan je een gigantische inktvis bewonderen (10 meter lang en 500 kg) of een aardbeving meemaken in een simulatie in een huis en nog veel meer. Maar wat me het meest bijblijft van Wellington is de Lord of the Rings-tour. Een hele dag bezochten we filmlocaties en kregen we inside information over de films. De gids had verschillende voorwerpen bij om allerlei filmscènes na te bootsen, onder andere in het elfenbos van Rivendell, waar we lunch voorgeschoteld kregen (jammer genoeg geen elvenbrood).

Jammer genoeg werd ik uit mijn feërieke wereldje getrokken toen op een avond 140 dollar uit mijn portefeuille verdween. Terwijl ik in de keuken stond te koken, had iemand in de kamer mijn portefeuille uit mijn jaszak gehaald en geld gestolen. De hele kamer (10 mensen) stond even op zijn kop en iedereen ging controleren of er iets verdwenen was. Eén jongen, een Fransman, zei dat zijn fototoestel gestolen was. Diezelfde jongen begon echter allerlei verdachte dingen te vragen en heel vreemd te reageren. Die nacht kwam hij stomdronken de kamer binnen rond 3u en begon hij heel luid te praten en iedereen wakker te maken. Hij struikelde over een aantal dingen en hoewel ik maar half wakker was, begon hij serieus op mijn zenuwen te werken. De volgende morgen was heel mijn portefeuille verdwenen. Mijn geld had ik op een andere plek verstopt en had ik nog, maar al de rest was weg. Na lang zoeken en rondvragen, zei de Fransman opeens dat hij wist waar mijn portefeuille was en hij haalde hem tevoorschijn vanonder zijn bed. Volgens zijn verhaal was hij gestruikeld over mijn rugzak en op een of andere manier was mijn portefeuille 5 meter door de kamer gevlogen naar zijn bed. Ik geloofde natuurlijk niets meer van zijn verhaal, maar ik kon niets bewijzen, dus ik wilde gewoon zo snel mogelijk weg uit Wellington, om heel het incident te vergeten.

Een lange, maar vlotte liftreis bracht me naar Napier, de perfecte plek om mijn gestolen geld te vergeten. Napier werd in 1931 volledig verwoest door een aardbeving en werd helemaal in Art Deco-stijl heropgebouwd. Het resultaat is een gezellig ouderwets kuststadje waar je zalig kan flaneren over de promenade of de leuke winkelstraatjes of zelfs Art Deco-minigolf kan spelen, en dat moesten we uiteraard proberen. Mijn hostel was een prachtig oud Art Deco-hotel. Het voelde alsof the great Gatsby elk moment voor de deur kon staan met een oude cabrio-sportwagen uit de jaren twintig. “Fancy a ride, old sport?”

Van hieruit trok ik weer het binnenland in, naar Taupo, waar adventure weer een grote trekpleister is. Onderweg naar de Huka-watervallen kwam ik voorbij de Taupo bungy-jump en ik bleef even staan om te kijken. De (on)gelukkige wachtte een paar seconden op de loopplank met gesloten ogen en uitgestrekte armen voor hij zich langzaamaan vooruit liet vallen en de diepte in stortte. 44 meter dieper ging hij even onder in de rivier en kwam meteen weer naar boven. Ik vond duizend excuses uit om het niet te doen (zo duur! ahum) en liep verder. Een beetje verder in het park had een hele massa mensen zich verzameld rond een 20 meter hoge schans, waar een aantal mountainbikers een wereldrecordpoging gingen doen. Ik filmde een paar misselijkmakende stunts voor ik naar de bangelijke watervallen ging kijken. Een kolkende massa helderblauw water met een onvoorstelbare stuwkracht. Het verbaasde me niet te lezen dat meer dan een paar ongelukkige waaghalzen er hun laatste peddel hadden geroeid. Een beetje verder stroomopwaarts dompelde ik me onder in het zalig warme water van de plaatstelijke rivier, het goedkopere en zoveel betere alternatief van het dure spacomplex 5 minuten verder. Ik ging onder een stevige hete waterval staan (een beetje te warm in het begin) en bedacht dat het de beste douche was tot nog toe in Nieuw-Zeeland. Op de tast en met het licht van mijn GSM zocht ik de weg terug door het park naar de bewoonde wereld. In een verlaten buitenwijk van Taupo hoorde ik plots gezang vanuit een schoolgebouw, dat moest ik even gaan uitzoeken. Ik kwam terecht in een sporthal, waar tientallen Maori-jongeren (Maori’s zijn de oorspronkelijke inwoners van Nieuw-Zeeland, vergelijkbaar met de Aboriginals in Australië of de Indianen in Amerika) vrolijk dansten en muziek maakten. De muziek was een prachtige combinatie van Polynesisch meerstemmig gezang, gitaarmuziek en percussie en de dans was een traditionele Maori-dans, inclusief wijd opengesperde ogen en uitgestoken tongen. Ik genoot in stilte en lachte bij de bedenking dat een paar straten verder toeristen 60 dollar of meer betaalden hiervoor.

Niet zo ver van Taupo ligt Rotorua, de culturele en geologische hotspot van Nieuw-Zeeland. Bij het binnenrijden in de stad kwam de zwavelgeur me al tegemoet. Her en der in het stadje zie je rookpluimen opstijgen uit de grond, soms vergezeld van bubbelende modder. Ik bezocht een mooi traditioneel Maori-dorpje met een prachtige kleine kerk, die westerse elementen met Maorikunst combineerde. En dan iets waar ik niet onderuit kon… Enkele maanden geleden, in Sydney, had ik meegedaan aan een spelavond georganiseerd door een Nieuw-Zeelands reisagentschap. Ik won een van de activiteiten en kreeg als beloning een gratis ‘swoop’. Ik wist niet zo heel goed wat het juist inhield, maar ik wist dat het iets met adrenaline te maken had. Met een bang hartje ging ik ernaartoe. De omringende activiteiten deden me niet meteen beter voelen: bungy jump, zorb (je gaat in een rubberen bal zitten en ze duwen je van de heuvel naar beneden), free fall experience,… Ik ging naar de receptie en aangezien er geen andere klanten waren, werd ik meteen naar de guillotine meegenomen. Ik moest in een slaapzakachtig harnas gaan liggen dat vasthing aan een touw. Dat touw hing vast aan twee veel te hoge torens. Voor ik het besefte, werd ik langzaam omhooggetrokken tot aan het bungy-platform 40 meter hoger. Ik bleef denken ‘waarom doe ik dit? waarom doe ik dit?’ terwijl ik hoger en hoger geheist werd en mijn hart aan 200 kilometer per uur sloeg. Toen ik uiteindelijk helemaal bovenaan hing, met onder mij een grote leegte, was ik zo bang als een konijn. Ik kon me niet voorstellen dat iemand zoiets ooit vrijwillig zou doen. Maar daar hing ik dan. En dan kwam het ergste moment. Het minimensje helemaal beneden riep dat alles klaar was, en dan moest ik zelf – ZELF – aan een hendeltje trekken zodat ik vrolijk naar beneden kon vallen. Ik raapte mijn laatste millimeter moed bij elkaar en trok… Jezus moeder Maria! Ik viel als een blok naar beneden en ik wist niet wat er gebeurde. Een paar seconden lang kon ik zelfs niet schreeuwen, er kwam gewoon geen geluid uit mijn keel, zo groot was de schok. Het schommelen achteraf was best leuk, een beetje als vliegen, maar uren daarna was ik nog niet helemaal bekomen van de adrenalinestoot.

De volgende dag wilde ik het wat rustiger aan doen en besloot ik om Hobbiton te gaan bezoeken. Het was een ideaal moment: de zon was van de partij en de Lord of the Rings-filmcrew had een paar maanden geleden het hele hobbitdorp weer opgebouwd voor de opnames van The Hobbit, deze keer in echte materialen zodat het kan blijven als toeristische attractie. Bovendien lag regisseur Peter Jackson in het ziekenhuis om een of andere reden en hadden ze de hele filmplanning omgegooid, zodat ze eerst in Wellington waren beginnen filmen en Hobbiton volledig toegankelijk was. Na een korte schapenshow – Hobbiton is een deeltje van een enorme schapenboerderij – waarbij een schaap werd geschoren op het podium en we de lammeren mochten voederen met de melkfles, reden we in een busje naar de filmlocatie. Het was echt magisch. De setbouwers hadden echt aan alles gedacht: kleine gordijntjes in de hobbithuisjes, brievenbusjes, ministalletjes en zelfs mini-houtblokjes voor de hobbitkacheltjes. We bezochten een paar bekende hobbithuisjes, van Samwise en Rosie Cotton en uiteraard Bag End, waar Frodo en Bilbo woonden. Bovenop de heuvel stond een prachtige reusachtige eik, en eerst was het me niet opgevallen dat die zo mooi groen was hoewel het bijna winter was. Maar dan legde de gids uit dat het geen echte boom was. Ik wilde hem eerst niet geloven, zo echt zag de boom eruit. Blijkbaar had de filmcrew honderden studenten aangenomen voor een dag om de 10000 blaadjes aan de boom te komen kleven. Echt ongelofelijk hoeveel geld en tijd ze spenderen aan kleine details, die uiteindelijk misschien een halve minuut te zien zijn in de film. Omdat we zo ‘braaf’ waren geweest tijdens de rondleiding nam de gids ons mee binnen in een hobbithuisje (normaal gezien strikt verboden).

Die avond in de auto op weg naar Tauranga begon ik met Geoff de chauffeur over zijn boot te praten. Hij ging een weekje later met zijn zoon zeilen op de Queen’s birthday (jaja, de verjaardag van Elizabethje wordt hier gevierd en is zelfs een officiele feestdag!) en vroeg of ik zin had om mee te gaan. (wat een vraag…) Een weekje was net genoeg tijd om het Coromandel-schiereiland te bezoeken. Het weer was echter zwaar omgekeerd en de volgende dagen werd het koud en regenachtig. Gelukkig kwam ik in een geweldige hostel terecht in Whitianga met een degelijke filmbibliotheek en slechts een handvol andere backpackers (het was duidelijk laag seizoen). We maakten regenachtige wandelingen door Nieuw-Zeelands woud naar Cathedral Cove (een grote grot in de vorm van een kathedraal) en de Hot water beach, waar heet water opborrelt vanuit het strandzand. Bij laagtij kan je met een schepje een bad uitgraven, maar het water is zo heet (rond de 60 graden) dat je een kanaaltje moet voorzien voor koud zeewater en zo de juiste mix moet vinden. Lekker genieten, en gratis! 🙂

Na een veel te korte nacht in een van de slechtste hostels ooit (3 stapelbedden in een klein kamertje geperst, geen ramen, rommel overal, zweetsokkenaroma, nachtshiftwerkers die elk uur ofzo de kamer binnen- of buitengingen,…) werd ik om 6u opgepikt door Geoff en zijn zoon. Het plan was eigenlijk om een dagje te gaan zeilen, maar omdat niemand verplichtingen had de volgende dag besloten we naar een verlaten eiland te varen en daar de nacht door te brengen. Jammer genoeg was er te weinig wind om zonder motor te zeilen, maar gewoon varen was ook al leuk.We wierpen ons anker uit en roeiden naar het strand van Kawau Island waar een prachtige oude villa ons opwachtte. Een van de eerste Britse gouverneurs van Nieuw-Zeeland had hier zijn optrekje laten bouwen rond 1800 en naar het schijnt een hele zoo geïmporteerd, inclusief olifanten en dergelijke. Nu bleven enkel de villa en de wondermooie tuin over. Door het gras liepen pauwen en vanuit de gigantische bomen weerklonk de melodieuze zang van de tui-vogels. Ik begrijp best waarom de gouverneur hier wilde wonen. We wandelden via beboste heuvels naar de andere kant van het eiland om de oude kopermijnen te zien. Hier en daar huppelde een wallaby (kleine kangoeroe) de struiken in. (Dit was de enige plek in Nieuw-Zeeland waar wallaby’s leven. Ze zijn, net als alle andere zoogdieren, geïmporteerd en vormen een bedreiging voor de plaatselijke natuur. That’s right, behalve een paar vleermuizen had Nieuw-Zeeland 250 jaar geleden geen zoogdieren. Geen katten, honden, paarden, koeien, muizen, schapen, koeskoezen, herten,… Veel van deze dieren worden er nu als een pest gezien en worden systematisch uitgeroeid door jagers. Koeskoezen vallen namelijk kiwi’s aan en herten eten planten die voor andere dieren bestemd zijn.)

Na onze wandeling maakte Geoff een bedenkelijke maaltijd klaar in de kombuis (koken was duidelijk niet zijn sterkste kant) en met een biertje onder de open sterrenhemel zagen we de laatste boten vertrekken, tot we helemaal alleen achterbleven in onze privé-baai. Het was een korte nacht en een lange dag geweest voor ons allemaal en om 20u lagen we allemaal al in ons bedje. Ik had mijn eigen kamertje in de achtersteven. Ik probeerde nog een hoofdstuk te lezen van Catch-22 (subliem boek trouwens!) maar mijn ogen wilden niet meer mee. Na een prachtige zonsopgang de volgende morgen aten we een ultiem Nieuw-Zeelands ontbijt (weetbix met fruit en melk) en vertrokken we terug richting Whangaparaoa. Nu was er gelukkig genoeg wind en kon ik eindelijk leren zeilen.

Die middag liftte ik verder naar het noorden en kwam terecht in Whangarei, waar ik een hele jeugdherberg deelde met 1 andere backpacker uit Quebec. Er was dan ook niet zo veel te zien in het stadje en ik had me al neergelegd bij een rustige avond toen ik plots muziek hoorde stromen uit een Irish pub. Ik bestelde een dure slechte pint (dat moeten de Ieren toch nog leren maken) en ging aan een tafel zitten waar een oudere vrouw alleen zat, het enige plekje dat nog vrij was. De helft van de kleine pub was bezet door de 16(!) muzikanten, die vrolijke en gezellige Ierse muziek produceerden met zang, gitaren, viool, fluiten, contrabas, Ierse trommels, doedelzak en banjo. Ik was helemaal in de ban van de muziek, maar de oudere vrouw was blijkbaar meer geïnteresseerd in mij. Ik antwoordde beleefd op haar vragen, maar werd een beetje achterdochtig toen ze dezelfde dingen opnieuw vroeg en ongevraagd allerlei intieme details over haar familie begon te vertellen. Ze had duidelijk al veel te veel gedronken en dat had haar geheugen aangetast. Ze bood me een slaapplaats aan (nee danku, ik heb een kamer in de jeugdherberg) en begon opeens een tirade tegen de Serviërs. Ze was zelf van Kroatische afkomst en ze zwoer dat alle Serviërs klootzakken zijn en dat als ze een machete had, ze naar Servië zou gaan en iedereen zou afschieten. Hoe ze ging schieten met een machete was me niet helemaal duidelijk, maar kom. Toen ik zei dat ik heel aangename Servische vrienden had, had ze één advies voor mij: ‘Ditch them! They’re all motherfuckers!’ Mijn lichaamstaal was blijkbaar niet duidelijk genoeg en ik was dan ook enorm opgelucht toen een van de percussionisten me van mijn stoel trok om mee te komen spelen. Hij had me op de tafel zien tokkelen en horen klappen en zei ‘You must be a drummer. I can tell!’ Ik kreeg een crash course in Ierse trommel (niet gemakkelijk!) en we waren vertrokken. Na een paar Ierse songs werd er een gitaar in mijn handen geduwd en moest ik een Belgisch nummer spelen. In mijn beste Antwerps zong ik ‘Ik em schrik’ van Filet d’Anvers en één voor één begonnen de muzikanten mee te improviseren. Mijn stalkster was gelukkig al lang naar buiten gestrompeld.

Het weer was weer de slechte kant opgegaan en in Paihia, de geboorteplaats van Nieuw-Zeeland, kon ik dan ook niet veel anders doen dan kleren wassen en lezen. Op één dag tijd kwam ik 3 mensen tegen die ik al eerder tijdens mijn reis had ontmoet dus gezelschap had ik wel. Maar ook hier had ik een soort stalkster: een 45-jarige Duitse hippievrouw. Ze was erg spiritueel en was duidelijk ergens een vijsje kwijtgespeeld. Ze begon te vertellen dat ze heel veel energie voelde in mij en dat ze er zeker van was dat god mij op haar pad had gezet. Ze vertelde over haar eerste weken in Nieuw-Zeeland. Ze was een tijdje in een meditatieklooster geweest en was dan beginnen reizen langs de kust. Na een knuffelmoment met een boom (tja) zag ze ergens dolfijnen in het water. Ze sprong uit de auto, trok al haar kleren uit en sneed haar voeten en benen aan schelpen en stenen terwijl ze het water inliep. (ze zei dat ze de pijn niet voelde) Dan zwom ze met de dolfijnen in het ijskoude water. Ze vertelde dat de tranen van haar wangen liepen en dat ze een energie voelde als nooit tevoren. Ondertussen stond een hele hoop toeristen toe te kijken en foto’s te trekken.

Met een paar meisjes die ik ontmoet had ging ik op een dagtrip naar Cape Reinga, zo ongeveer het noordelijkste punt van Nieuw-Zeeland. Het voelt echt een beetje als het einde van de wereld. Een vuurtoren kijkt uit over het punt waar 2 zeeën letterlijk op mekaar botsen, met golven tot 10 meter hoog als gevolg. Op de terugweg bezochten we gigantische zandduinen naast de Ninety mile beach (eigenlijk is het strand ‘maar’ 96 kilometer lang, maar dat is toch al langer dan de hele Belgische kust :-)) en achtervolgden we 10 minuten lang een schaap voor een weddenschapsfoto voor Jenny. Ze moest een foto hebben terwijl ze op een schaap zat, en hoewel het schaap er duidelijk geen zin in had, zijn we er uiteindelijk toch in geslaagd.

Met Jenny reed ik een heel stuk weer naar het zuiden, naar Waitakere, waar ik een paar dagen ging wwoofen. Toen we aankwamen op de boerderij in de prachtige groene vallei werden we meteen verwelkomd door 2 grote honden. Ik had nog niet echt beslist welke kleren ik wilde aandoen voor boerderijwerk, maar na de grote modderige pootafdrukken op mijn grijze T-shirt moest ik daar toch al niet meer over nadenken. Renata en Cadzow en hun dochter Zoe waren bijzonder gastvrije mensen. Cadzow was een professionele gitarist. Hij had het supervriendelijke gezicht van een postbode of buschauffeur uit een kinderboek (inclusief snor) en hij maakte grapjes in dezelfde stijl. Renata, half Pools, is het soort mens dat geen blad voor haar mond neemt, en toen Jenny bij het avondeten zei dat ze maar 2 soorten groenten at (aardappelen en bloemkool of zoiets) zei ze rechtuit ‘Didn’t your parents teach you to eat vegetables?’ Zoe was het typische paardenmeisje en dierenarts-in-opleiding die beter met dieren opschiet dan met mensen. Dat moet ook wel met 5 paarden, 2 honden, 3 geiten, 2 katten en een hoop kippen. Ik zette een van de katten op de hond en grapte met Jenny dat ze een paard en een haan moest gaan halen zodat we de Bremerstadsmuzikanten konden naspelen.

Een paar dagen lang moest ik met hout werken (hout kappen, vuren maken, houtstapels verplaatsen en bomen omkappen met Bruce, een professionele jager). Bruce had een hele hoop interessante verhalen over zijn jachtopdrachten in de bergen in het zuiden, over hoe hij bijna gestorven was door de kou enzoverder. Hij leefde momenteel in een huisje zonder water en elektriciteit. Hij had al twee weken geen douche genomen, en toen hij mijn verbazing zag, zei hij. ‘That’s nothing! I’ve been without a shower for 3 months before!’. Na een gezellige avond bij de buren, waar de Baskische wwoofsters tortilla hadden gemaakt, pan con tomate en gamba- en kipsateetjes (nostalgie voor Barcelona!) en een zalige jamsessie met Cadzow (hij was echt indrukwekkend op de gitaar) was het alweer tijd om verder te trekken, deze keer naar mijn laatste halte in Nieuw-Zeeland: Auckland. Het is de grootste stad van het land, maar zeker niet de interessantste plek. Ik bezocht het plaatselijke museum met een paar interessante tentoonstellingen en een leuke culturele Maori-performance, maar Wellington was zeker beter.

Heel Oceanië was ondertussen in de ban van de Chileense aswolk en het zag ernaar uit dat mijn vlucht naar Melbourne misschien afgelast zou worden, maar gelukkig begonnen alle maatschappijen weer te vliegen de dag voor ik vertrok, en met een diepe zucht van opluchting liep ik naar de gate om op mijn vlucht te wachten. Ik keek tevreden terug op de laatste 11 weken. Ik had zoveel meegemaakt: ik had leren zeilen, was van 40 meter naar beneden gevallen, had de tuinier van George Clooney ontmoet, die in zijn 28-jarige leven nog nooit een McDonald’s was binnengestapt, had regenwouden gezien en bergen, gletsjers en woestijnen, en nog zoveel meer. Australië zal zijn best moeten doen om hier tegenop te kunnen!

0 Comments
Share Post
No Comments

Post a Comment