De grote oversteek

aug 03 2011

De grote oversteek

Er zijn 6 mogelijke oorzaken voor tijdelijke blindheid van een chauffeur in de outback, bedachten Olim, Abel en ik op een lang, recht stuk weg tussen Alice Springs en Darwin. A) De winterzon staat lager dan de zonnekleppen. B) Het is donker en je tegenligger vergeet zijn grootlichten te dimmen. C) Het is donker en je koplampen werken niet omdat je alternator het bijna begeeft en de accumulator leeg is. D) Je rijdt door een bushfire en het enige wat je ziet is rook, veel rook. E) Het regent en je kruist een road train (vrachtwagen met 3 trailers, langer dan 50 meter), met als resultaat een half olympisch zwembad aan water op je voorruit waarmee zelfs de ADHD-stand van je ruitenwissers een aantal seconden zoet is. F) Een enorme arend vliegt te laat op van zijn half opgegeten kangoeroekarkas en maakt uitgebreid en uitgespreid kennismaking met je voorruit. Met uitzondering van de arend hebben we alle opties minstens eenmaal mogen meemaken. Een ongelukkige dode libel heeft zich wel een tijdje als mascotte rond onze radio-antenne gewikkeld, maar de arenden vlogen gelukkig net op tijd de juiste kant op.

Olim en Abel had ik een paar weken eerder leren kennen in Melbourne. Na mijn omzwervingen in Nieuw-Zeeland had de kunstzinnige stad me op een gepaste manier welkom geheten: op mijn eerste avond terug in Australië werd op het architecturaal verbluffende Federation Square een Summer Solstice-viering gehouden. Tussen culturele en gastronomische bijdrages van alle bevolkingsgroepen van Melbourne (Mexicaanse dans, Iraanse muziek, Afghaanse snacks, Turkse thee, Japanse optredens, Indiaas entertainment, Ghanese djembés…) voelde ik me als Belg aangenaam vreemd. Er heerste een sfeer van verbondenheid tussen culturen en talen, gesterkt door de eenvoudigste communicatiemiddelen ter wereld: muziek, dans, eten en drinken. De climax kwam op het einde, toen een Indiaas meisje en een Australische blanke jongen met een brede glimlach en een gevolg van felgekleurde Indiase dansers en muzikanten naar het podium toeliepen. Zij hadden ervoor gekozen om tijdens deze viering van multiculturaliteit in het huwelijk te treden, op een wetenschappelijke feestdag, los van religie, nationaliteit of politieke overtuiging. Een meer gepast moment hadden ze niet kunnen kiezen.

Olim is een 18-jarige Nederlander uit Amersfoort, die toevallig in hetzelfde hostel sliep als ik. Aan de tafel waren we toevallig beginnen praten en het bleek al snel dat we het goed met elkaar konden vinden. Het duurde niet lang voor we met onze twee gitaren en een koortje in het nabije park belandden en een vriendschapsband smeedden.
Abel is een 23-jarige Australiër met Amerikaanse roots die een beetje meer tijd nodig had om mijn vertrouwen te winnen. Ik had het gevoel dat ik niet echt op hem kon rekenen, maar nadat we hem wat meer aandacht gaven, begon hij zich beter te gedragen en de laatste weken is hij een heel trouwe reispartner geworden. Ik kocht hem in een impulsieve bui voor 1400 dollar van een stel Franse backpackers die hem verwaarloosd hadden. Niet iedereen heeft het even goed voor met mijn witte Ford Fairmont station wagon. Found On Rubbish Dump, dat is waar zijn naam voor staat volgens zijn vijanden, vertelde een Australische vrouw mij later rond een kampvuur, oftewel First On Racing Day voor de fans.

Abel gaf meteen een antwoord op alle vragen waarmee ik al dagenlang door de regenachtige straten van Melbourne liep. Waar wil ik naartoe? Wil ik hier werken? Wil ik naar warmere oorden? Wil ik een kamer zoeken? Wil ik een auto kopen? Olim had een maand om in Darwin te geraken, een stad aan de tropische noorderkust van Australië, een dikke 4000 kilometer van Melbourne en hij zag het best wel zitten om de grote oversteek van Adelaide naar Darwin met mij in mijn auto te doen. Ik wilde sowieso de outback gaan ontdekken en het vooruitzicht van tropische temperaturen was heel aantrekkelijk na een aantal weken regen en kou. Elke dag slorpten mijn goedkope K-mart-schoentjes, na 2 maanden al behoorlijk versleten, het regenwater op van de natte voetpaden en het voelde alsof ik even goed op sokken had kunnen rondlopen. Met natte voeten genoot ik van de geweldige diversiteit van de Queen Victoria Market, het TV- en filmmuseum, de botanische tuin (die ze zelf een van de mooiste van de wereld noemen), de Yarra-rivier, de Australian Open-tennisvelden, de Victoriaanse gebouwen en trams en de gezellige cafeetjes van Fitzroy. Als toetje trakteerde ik mezelf op een kaartje voor ‘Love never dies’, het vervolg op ‘The Phantom of the Opera’. Als musicalfanaat kon ik een voorstelling in de musicalhoofdstad van Australië niet laten liggen. Andrew Lloyd Webber sloeg me weeral met verstomming en vrolijk neuriënd liep ik in mijn jeansbroek en knalgroene trui door de prachtige gouden foyer van het theater naar buiten, immuun voor de nieuwsgierige blikken van fel opgemaakte gezichten die me aanstaarden van boven Cosmopolitans en Veuve-Cliquots.

Olim had al een tour geboekt om naar Adelaide te gaan, dus ik moest op zoek gaan naar andere reispartners om de kosten te delen. Sue en Teresa, 2 jonge Duitse meisjes, moesten dezelfde kant op en voor ik het besefte, begon mijn eerste roadtrip. Het weer was opgeklaard en ik was blij dat ik weer aan het reizen was. Luid meezingend met de muziek van Franz Ferdinand en Coldplay reden we de Great Ocean Road op, het bekendste stukje weg van Australië. De weg kronkelt 243 kilometer lang naast de prachtige kust van Victoria en door wouden waar het krioelt van de koala’s, papegaaien en kangoeroes. Drie dagen lang vergaapten we ons aan de natuurlijke wonderen en genoten we van het mooie weer. De eerste twee nachten waren minder aangenaam. De auto bleek toch een beetje smal te zijn voor 3 personen en we werden elke morgen wakker met rug- en schouderpijn. Maar de grootste verrassing kwam midden in de nacht, onder de vorm van ritselende zakjes en andere onrustwekkende geluiden. ‘s Morgens vonden we de onmiskenbare bewijzen: stukjes weggegeten brood en ontbijtgranen. We hadden een muis in de auto! We probeerden ons eten goed te verstoppen en na een verkwikkende derde nacht in een hostel begonnen we aan het laatste stuk van een kleine 700 km naar Adelaide. Rond de middag sloeg het noodlot opnieuw toe: een lekke band. Met de hulp van een paar rasechte Australische boeren plaatsten we het reservewiel op de auto en reden we verder. Het was al donker toen we opgelucht de stad binnenreden, een stad met hostels, monteurs… en muizenvallen!

 

Ik werd warm ontvangen in het huisje van Nata, mijn collega-lerares Spaans op de Peace Boat. De eerste paar dagen kreeg ik zelfs mijn eigen kamer met een dubbel bed, een zalige luxe na weken in drukke kamers met bedden van bedenkelijke kwaliteit. Daarna deelde ik een matras in de woonkamer met Missy, een dikke harige rosse kat. In de achtertuin stonden een aantal sinaasappelbomen die elke morgen voor een heerlijk glaasje sap bij het ontbijt zorgden. Ik gebruikte mijn week om al mijn kleren te wassen en de auto helemaal in orde te maken voor de grote reis. Samen met Olim was ik een aantal dagen bezig met banden kopen, monteurs bezoeken, de auto grondig wassen, het kampeermateriaal in orde maken en eventuele reispartners zoeken. Tussendoor liet Nata mij de beste plekjes van Adelaide zien en trokken we met z’n allen naar de Barossa Valley voor een ontspannende wijnproefdag in een wondermooie setting. De zoektocht naar een gepaste reispartner bracht niet veel op (een Chinees meisje probeerde ons sollicitatiegesprek-gewijs te overtuigen door te zeggen dat ze elke dag als slaafje voor ons kon koken), dus we besloten om maar met ons tweetjes te vertrekken.

 

De auto had 2 nieuwe banden, nieuwe remmen, nieuwe ruitenwissers en alles was volledig gecontroleerd. Binnen en buiten was alles helemaal schoongemaakt, de muis was gevangen en we hadden genoeg boodschappen gedaan voor een tijdje. Met een gerust hart vertrokken we dus op zaterdag 9 juli eindelijk op onze roadtrip. Maar dat was buiten de auto gerekend. Toen we na een korte pauze aan de kant van de weg weer wilden vertrekken, startte de auto niet meer op. De batterij was leeg. Een vriendelijke chauffeur stopte, hielp ons met het vervangen van de batterij en zette ons weer in gang met de startkabels. Het rijden ging vlot, maar het batterijlampje bleef branden en de radio, koplampen en ruitenwissers werkten om de beurt, maar nooit tesamen. Zo kwamen we rond valavond terecht in het boerengat Gladstone, waar we een camping opreden en parkeerden, goed wetend dat we waarschijnlijk niet meer zouden kunnen starten. Met een opgeluchte blik gaven Olim en ik elkaar een high five. We konden overnachten, er waren mensen in de buurt en ook al was Gladstone maar een paar straten groot, er was waarschijnlijk wel een monteur die ons kon helpen. Twee dagen later had iedereen in het dorp al van de gestrande backpackers gehoord, van de uitbater van de gevangenis (de enige attractie in het dorp, dixit de vrouw van het informatiecentrum) tot de lichtjes gestoorde man die ons in de supermarkt gretig vastklampte om over de opkomst van digitale televisie te praten en die op onze nationaliteiten reageerde met “Belgium? Holland? I haven’t been there, but I’ve been to Singapore and Hong Kong! So, uhm, yeah, it’s really something isn’t it, digital television…”.

De man die ons uiteindelijk uit Gladstone wegkreeg, was onze buurman van het caravan park. Tom was een kwieke 81-jarige geëmigreerde Nieuw-Zeelander, die al jarenlang met zijn vrouw heel Australië rondtrekt. Ze nodigden ons ‘s avonds uit om in hun caravan een kopje thee te komen drinken, dat we dankbaar aannamen omdat de avonden verrassend koud werden. Urenlang verwonderden ze ons met hun verhalen, over hoe ze robijnen hadden gesmokkeld uit Myanmar, achter de rug van de CIA, en hoe ze een bord geroosterde mussenkoppen voorgeschoteld gekregen hadden en uit beleefdheid hadden moeten opeten, hoe ze zelf een huizencomplex hadden gebouwd in Australië, gebaseerd op een Thais tempelcomplex en dat later met een vrachtwagen een paar honderden kilometers verplaatst en opnieuw opgebouwd hadden, over hoe ze grote slangen hadden verjaagd uit hun keuken, tientallen verschillende zaken hadden geopend en weer gesloten, hoe ze in een grot midden in de outback een skelet van een plesiosaurus hadden ontdekt en hoe ze aanbeland waren bij een maandelijkse ‘buurt’-barbecue midden in de woestijn, waar mensen per helikopter en vliegtuig naartoe kwamen. Tom had vroeger als professionele duiker gewerkt voor boorplatformen en dergelijke. Eén ding was duidelijk, hij was een plantrekker. Hij schoot dan ook in de lach toen hij hoorde dat de lokale monteur meer dan 300 dollar vroeg om een nieuwe alternator te plaatsen. Koppig sleurde hij me mee in de auto om in de achtertuinen van mensen oude auto’s te zoeken en 50 dollar te gaan aanbieden voor een oude alternator. Zo stuitten we op een andere monteur, die onze auto even onderzocht en zei dat we gewoon even de alternatorriem moesten aanspannen. 81-jarige Tom ging vlotjes op zijn rug liggen onder de auto en gaf ons instructies. En wonder boven wonder, de auto startte en de batterij laadde op!

Blij om weer on the road te zijn, reisden we verder naar de Flinders Ranges, waar ik voor het eerst, na 5 maanden Australië, kangoeroes en emoes in het wild tegenkwam. We kampeerden op een bush campsite, waar een aantal kampeerplaatsen half zijn aangelegd en composttoiletten beschikbaar zijn. Het geld voor de kampeerplaats moet in een envelop in een urne gestoken worden. Ze rekenen daarvoor op de eerlijkheid van de bezoekers. De volgende morgen reden we overmoedig verder over de natte zandwegen van het park en elke keer als we door een grote plas reden, of over een grote bult, sprong het batterijlampje weer aan. Teleurgesteld reden we het park uit richting de dichtstbijzijnde grote stad, Port Augusta, met korte pauzes tussendoor, waarin we de motor niet durfden uitzetten. Na een paar uur kwam de bescheiden skyline van Port Augusta eindelijk in zicht, maar net op dat moment, terwijl we de snelweg opdraaiden, besloot onze auto om nog maar eens stil te vallen. In paniek keken we elkaar aan, maar gelukkig had de auto nog wat snelheid en geraakten we meteen weer in gang. We parkeerden bij een garage die er ok uitzag en legden het probleem uit. De monteur was een grappige kerel, grote motorsportfanaat en fan van Stefan Everts. Hij had al snel door dat de brushes van de alternator vervangen moesten worden. Terwijl hij bij een naburige garage onderdelen moest gaan halen, moest hij zijn kleine garage en mini-tankstation even alleen laten. Ik kreeg plots een plastic zakje met bankbiljetten in mijn handen geduwd en als antwoord op mijn verbaasde blik zei hij met een brede glimlach “you know how to add fuel, right?”. En zo was ik van het ene moment op het andere gepromoveerd van hulpeloze klant naar pompbediende. Only in Australia… Voor we vertrokken, gaf hij ons nog wat outback-tips mee. Zo mochten we niet impulsief remmen als we een kangoeroe zagen, maar moesten we een constante snelheid aanhouden en klaxonneren. En, zei hij, als een van de witte lijntjes op het midden van de weg ontbreekt, dan staat er waarschijnlijk een koe. Dan mag je wél remmen!

Eindelijk reden we de outback in, minder dor en minder droog dan ik me had voorgesteld, maar leeg is het wel. Kilometerslang zie je niets anders dan uitgestrekte woestijn met lage begroeiing en hier en daar een bescheiden boom. De weg loopt vaak kilometers aan een stuk rechtdoor en verdwijnt aan de horizon. Eén van die stukken was zelfs verbreed en mooi afgewerkt zodat het als een noodlandingsbaan kon dienen voor vliegtuigen. Af en toe kom je eens een tegenligger tegen, meestal een road train die je bijna van de weg af dwingt met zijn imposante bulk of andere reizigers met caravans of busjes. Het eerste stadje met meer dan een handvol inwoners (450 namelijk) was een kleine 200 km van Port Augusta, ongeveer even lang als de afstand tussen Oostende en Hasselt. Woomera is bekend geworden nadat de locatie gebruikt werd voor kernproeven. Tientallen ongelukkige aborigines die toevallig in de buurt woonden, werden besmet. Een aantal kernraketten stonden somber in het centrum opgesteld toen we eraan kwamen. Het was iets na zes uur ‘s avonds, het was donker, en er was niemand op straat. Nergens was een café of restaurant te bespeuren en de supermarkt was gesloten. Het leek wel een spookstad. We stopten bij het enige gebouw dat open leek, een hotel. Naast de receptie was een groot hotelrestaurant, waar tientallen mensen zaten te eten en drinken. Ik vroeg of er restaurants waren in Woomera, en of er een cinema was. De serveerster lachte en zei dat het hotelrestaurant het enige was, en dat er 2 keer per maand een film werd getoond in het dorpstheater. Harry Potter zou nog even moeten wachten. We kookten een lekkere maaltijd op de verlaten parking van het museum, speelden wat gitaar en genoten van een deugddoende, muisloze nacht. We zaten in de outback!

Volgende halte op onze route was Coober Pedy, bekend voor zijn opaalmijnen. Onderweg sprong de ipod van Olim naar het liedje ‘Onderweg’ van Abel. (kent u hem nog?) We moesten allebei lachen om de kinderlijke, klagende stem en begonnen overdreven mee te zingen. ‘Het gaat niet!’ en ‘Het klopt niet!’ werden al gauw onze nieuwe stopzinnetjes als er weer eens iets misliep, en de auto, waarmee wel vaker iets niet ging of klopte, werd prompt Abel gedoopt. Nala de kerstkoala (een cadeautje van Marie) verscheen als geluksbrenger op het dashboard. Coober Pedy vertoonde de typische kenmerken van een mijnwerkersstadje voorbij zijn glorietijd. De meeste mijnen zijn nu verlaten en een heel aantal daarvan zijn omgetoverd tot hotels of musea. We besloten onszelf te verwennen met een douche en een goed bed in een ondergronds hostel. De eigenaar leek op een kluizenaar die ze onlangs hadden bevrijd uit een mijn na tientallen jaren gevangenschap. Zijn lange grijze baard waggelde heen en weer terwijl hij met een gekromde rug de kamer doorliep. We bezochten die dag een opaalwinkel, waar ik geschokt door de prijzen iets riep in de zin van “Zo’n belachelijke prijzen betaal je toch niet voor een steentje!” en dan even versteef toen de eigenaar van de winkel ons in het Nederlands aansprak. Hij was een van de vele halve Nederlanders die we hier in Australië zijn tegengekomen, geëmigreerd als kind en niet meer even bekwaam in het Nederlands als vroeger, maar wel bekwaam genoeg om de domme uitlatingen van toeristen te verstaan uiteraard… We liepen verder langs een oude mijn en ondergronds huis naar een indrukwekkende Servische kerk uitgehouwen in de rotsen. De dure nacht die ons rust en comfort moest brengen, werd één van de slechtste nachten van onze roadtrip, dankzij een handvol dronken Engelse backpackers die het nodig vonden om ons midden in de nacht wakker te schudden in een walm van sigaretten en drank en daar vervolgens nog een uur luidkeels mee te lachen.

 

Onze roadtrip ging verder naar één van de grote higlights van onze reis: Ayers Rock, ook wel Uluru genoemd, een enorm grote rots die indrukwekkend boven de vlakte van de outback torent. Onderweg vroegen we een Australische man om ons te helpen om de motorolie bij te vullen. Hij keek ons bedenkelijk aan en zei: “Either you stole this car or you know fuck-all about cars!” Je kan veel zeggen over Australiërs, maar ze houden geen blad voor hun mond. Lachend gaven we toe dat we niets over auto’s wisten, al konden we ondertussen wel een alternatorriem aanspannen, konden we de meeste dingen onder de motorkap benoemen en een band vervangen. Ik vond dat al heel wat! 🙂 Mijn eerste kennismaking met Ayers Rock was in een boek, een jaar of 20 geleden, en het maakte toen al erg veel indruk op mij. Maar in het echt is het nog tien keer indrukwekkender. Zijn rode massa stijgt 348 meter boven de woestijn uit, maar net als bij een ijsberg zit het grootste deel verstopt onder de grond. We wandelden de 10 kilometer rond de rots om hem langs alle kanten te bewonderen, terwijl we ons ergerden aan de mensen die koppig de bordjes negeerden waarop stond dat de rots heilig was voor Aborigines en gevraagd werd er niet op te klimmen. De trieste waarheid is echter dat het klimmen in theorie niet verboden is omdat het National Park bang is anders een substantieel deel van de bezoekers te verliezen. Terwijl de zon zich dichter naar de horizon bewoog, parkeerden we Abel op een mooi plekje en bereidden we ons avondmaal. Genietend van worstjes met gebakken aardappeltjes en groentjes gaapten we naar het schouwspel van kleuren en schaduwen dat de ondergaande zon en Ayers Rock helemaal gratis voor ons opvoerden. En de kers op de taart kwam toen we naar onze camping in Curtin Springs reden. Het begon als een rood schijnsel in de bosjes een eindje voor ons. We dachten eerst dat het de lichten van een andere auto waren, maar toen we een kaler stuk woestijn inreden, werd het duidelijk. Het was de maan! Een grote oranjerode vuurbal steeg op vanuit de horizon, groter en helderder dan ik ooit had gezien. Olim en ik keken elkaar in ongeloof aan. Het was magnifiek!

We hadden ondertussen kennisgemaakt met een aantal zelfverzekerde woestijnbewoners. Sommige vogeltjes kwamen zo dichtbij dat ze bijna op je schoot zaten, en jammer genoeg waren ook de muizen niet bang. Elke avond kwamen ze met miljoenen uit hun kleine holletjes om tussen onze voeten kruimeltjes te komen zoeken. Onze kampvuurtjes werden prompt een stuk minder gezellig. Maar de grootste indringer moesten we nog tegenkomen, die ochtend na Ayers Rock. We zaten gezellig te ontbijten naast de auto toen een emoe langzaam maar doelbewust op ons kwam toegelopen. Zonder aarzeling begon hij aan ons brood te pikken en tussen twee pikken door raapte Olim de moed bij elkaar om het brood weg te graaien van de enorme vogel. Dan begon de emoe inefficiënt de kruimeltjes van onze plastic bordjes op te eten met een luid getik elke keer de zware bek op het bord terechtkwam. Toen hij zijn blik op de kaas richtte, besloot ik in actie te schieten. Terwijl ik mijn ogen op zijn kop hield, hief ik mijn been op en gaf ik de emoe, ongeveer even groot als ik, een stevige duw tegen zijn lijf. Het beest keek me aan met zijn domme blik, niet onder de indruk, terwijl Olim de kaas weggraaide. Met al het eten weg verloor de emoe zijn interesse en liep weer verder, en wij haalden opgelucht adem. Wat we toen niet wisten, is dat emoes echt onvoorstelbaar dom zijn en dat er blijkbaar een eenvoudige manier is om ze op afstand te houden: gewoon je arm de lucht insteken, met je hand op 90 graden gebogen, zodat de emoe denkt dat jij een grotere emoe bent. Dat weten we dan ook weer…

De volgende paar dagen genoten we van het warme zonnetje dat eindelijk door de wolken heen was gebroken, hoewel de nachten nog steeds koud waren. We wandelden door de pracht en praal van de King’s Canyon, met zijn kunstige zandsteenformaties en verborgen oases en kampeerden in idyllische stukjes outback langs de weg. In Alice Springs vonden we eindelijk het zalige bed en de warme douche waar we al lang van droomden, zeker nadat een nieuwe muis zich in de auto had binnengewerkt. Ons eten zat veilig weggeborgen in stevige rugzakken, maar onze nachtrust, of de mijne althans, werd stevig verstoord door het beestje. Elke keer als ik iets hoorde ritselen, veerde ik recht, tot ik het opgaf en buiten in de kou bij het maanlicht mijn boek ging lezen tot de zon opkwam. Na onze laatste muisnacht exact op de steenbokskeerkring (nu vergeet ik nooit meer welke de kreeftskeerkring is en welke de steenbok :)) kochten we plastic opbergbakken voor al het eten en het servies en we vingen de laatste muis met stukjes Tim-Tam (typisch Australische chocoladekoekjes). Als een diepe ademhaling voor een stuk onder water zwemmen genoten we nog even van de beschaving van Alice Springs (Harry Potter kijken, Hungry Jack’s-hamburgers eten) en we waren weer on the road.

De muizen waren nog maar net weg toen een van onze achterbanden het begaf. Klapband. We plaatsten ons reservewiel erop en reden verder richting Wycliffe Well, de UFO-hoofdstad van Australië. De camping en het tankstation (veel meer is er in het plaatsje niet) staan volledig in het teken van aliens en UFO’s, en gelukkig neemt het UFO-stadje zichzelf niet al te ernstig. Naast de krantenknipsels van UFO-spotters staan grappige alien-poppen en heel het gebouw is volgeschilderd met vliegende schotels en ruimtewezentjes. We kampeerden die avond tussen de Devil’s Marbles, een verzameling van honderden ronde rotsen die op en tussen elkaar liggen, het perfecte decor voor een spectaculaire zonsondergang, zeker in combinatie met een bushfire aan de horizon. Toen de zon al lang vertrokken was en we samen met een Duits koppel en een Engels koppel muziek zaten te spelen en marshmallows zaten te eten bij het kampvuur, woedde de zware bosbrand nog steeds met metershoge vlammen en torens van zwarte rook aan de horizon. Maar iedereen leek er gerust in dat de wind goed stond en dat onze kampeerplaats bespaard zou blijven. Bij zonsopgang was de bushfire al een heel stuk kleiner en alles wees erop dat het opzettelijk aangestoken was om een soort bufferzone te creëren voor het geval er ooit een grotere brand zou zijn. Na een heerlijk pannenkoekenontbijt ging het weer verder naar het noorden, het begin van een vreemde dag. In een openbaar toilet vroeg een aborigine mij of ik voor hem bier kon gaan kopen. In de outback, waar veel aborigines wonen, zijn ze namelijk heel streng met de verkoop van alcohol. Later die namiddag werd ook ik op alcohol gecontroleerd en ik blies uiteraard negatief.

 

De hitte van de tropen kwam ons tegemoet terwijl we het warme dag-koude nacht klimaat van de woestijn uitreden. De laatste nachten had ik steeds minder kleren aangedaan om te slapen, van een lange broek, 2 T-shirts, een fleecetrui, sokken en een slaapzak, met een deken en jas erbovenop, naar een korte pyjama en een laken. Blij dat we van de koude nachten verlost waren, probeerden we ‘s avonds na zonsondergang nog een stukje verder te rijden. Met de grootlichten aan reden we aan een constante snelheid van 100 km/u over de snelweg, tot ik plots in een ooghoek iets van rechts voor de auto zag schieten. Ik had niet eens de tijd om te reageren voor ik een knal hoorde en voelde. Ik had een wallaby, een kleine kangoeroe, doodgereden. Geschokt en geschrokken stopten we bij de eerste gelegenheid, een kleine uitsparing in de berm waar al een aantal mensen geparkeerd stonden rond een kampvuurtje. We werden meteen uitgenodigd om bij het vuurtje te komen zitten door de 2 Australische koppels met gigantische luxueuze kampeerbussen (eentje stond te koop voor 100000 dollar, verbruik 25 liter per 100km) en de magere, zwaar gebruinde, sjofele Sloveense fietser Istok, die al een paar jaar rond de wereld aan het fietsen is. Het contrast kon niet groter zijn. Ze boden ons in elk geval afleiding van wat er gebeurd was. Met een glaasje wijn, gitaarmuziek, didgeridoo en filosofische gesprekken onder de prachtige sterrenhemel was het voorval snel vergeten.

We ontbeten in de eetkamer van een van de bussen (niet te geloven hoe groot dat ding was!) en reden verder naar Daly Waters pub, een grappige outback-pub met memorabilia die over de jaren heen verzameld zijn, en vooral gedoneerd door toeristen: bankbiljetten, voetbaltruitjes, gesigneerde T-shirts, beha’s, onderbroeken, nummerplaten, je vindt nauwelijks nog een vrij plekje op de muur. Op onze eerste echt tropische middag trakteerden we onszelf op een plons in de warmwaterbronnen van Mataranka, gesitueerd in een prachtige setting van palmbomen en mangrove. Hoewel het geweldig was te zwemmen onder de palmbomen, tussen de waterlelies en de fleurige libellen en kaketoes, bood het water weinig verkoeling. Een tijdje na ons kwamen ook de Australiërs aan met Istok, die bij het horen van de warmwaterbronnen even zijn idealen had opzijgeschoven en zijn fiets en bagage in de campervan had gegooid.

 

We kwamen dichter en dichter bij ons einddoel Darwin, en de enige dingen die verder nog op het programma stonden waren 3 bekende National Parks: Katherine Gorge, Kakadu en Litchfield. In Katherine Gorge huurden we een kano om tussen de rotswanden te gaan varen. Hoewel ze ons hadden gerustgesteld over de zoetwaterkrokodillen die in het water zwemmen (ze vallen alleen aan als ze geprovoceerd worden en zijn ‘maar’ een meter of drie lang), waren we toch een beetje zenuwachtig toen we in het water peddelden en zwommen. Maar de enige krokodil die we uiteindelijk zagen, lag inderdaad gewoon rustig te zonnen aan de kant van het water. Kakadu is eerder een wandelpark, maar wel groter dan Vlaanderen. We konden een paar highlights niet zien omdat ze enkel met een 4×4 bereikbaar waren en misschien was ik daarom minder onder de indruk. We ontdekten de nadelen van het tropische klimaat toen we op onze camping in Malabanjbanjdju (zeg dat maar eens vijf keer na elkaar) de zweterige kaas uit de koelbox haalden. In het woestijnklimaat hadden we onze colablikjes ‘s nachts buitengezet (waar het bijna vroor) en dan overdag als koelelementen in de koelbox gestoken. Maar nu was het ‘s nachts bijna 20 graden, dus dat ging natuurlijk niet meer. We smolten de kaas in de pan voor een creatieve raclette/croque monsieur en ontbeten dan maar met chips en thee. Het meest indrukwekkende van Kakadu waren zonder twijfel de prachtige aboriginaltekeningen op de rotswanden van Ubirr. De oudste schilderingen zijn meer dan 40000 jaar oud, een stuk ouder dan Lascaux en Altamira, maar de meeste zijn jonger uiteraard.

 

 

Onderweg naar Litchfield sliepen we in Corroboree caravan park, een van de vele goede tips die we van mensen hadden gekregen. De camping had een fris zwembad en een aantal krokodillen als huisdieren. Niet veel verder gingen we op een Jumping crocodile cruise, waarbij de gids stukken vlees aan een stok bengelt om de krokodillen uit het water te doen springen. Deze keer ging het om zoutwaterkrokodillen, wel degelijk gevaarlijke beesten, die tot 6 meter lang kunnen worden. De enorme massa en kracht van de springende dieren sloeg iedereen met verstomming, en het geluid van de kaken die op elkaar sloegen was angstaanjagend. De overschotjes van het kangoeroevlees gooide de gids de lucht in, waar ze dankbaar door duikvliegende valken werden opgepikt. Litchfield was een heel stuk mooier dan Kakadu. De watervallen en natuurlijke zwempoelen lijken wel opzettelijk strategisch over het park verspreid te zijn voor de arme backpackers die verstikt worden door de hitte in hun airco-loze auto’s. In een van die prachtige poelen, waar kleine visjes dode huidcellen kwamen opeten, kwam ik 2 Vlaamse meisjes tegen, van Sint-Job-in-‘t-Goor. Ze hadden zelfs op mijn school gezeten. De wereld is klein!

 

En nu zit ik in Darwin, waar ik drie dagen geleden afscheid heb genomen van mijn trouwe reispartner Olim, die inmiddels geniet van het weerzien met zijn familie en vrienden in Amersfoort. Ik blijf hier misschien nog een tijdje. Vanavond begint namelijk mijn carrière als taxichauffeur, op een riksja!

En dat verhaal, beste lezers, krijgen jullie een volgende keer te horen!

SaveSave

0 Comments
Share Post
No Comments

Post a Comment