Varen zonder land in zicht

mrt 10 2017

Varen zonder land in zicht

Twee weken. Dat is het langst dat ik ooit op het water ronddobberde, in de Stille Oceaan tussen Samoa en Japan, aan boord van de Japanse Peace Boat. Twee weken zonder land in zicht, water voor je, water achter je, overal water. Het heeft iets avontuurlijks, je waant je een personage in Pirates of the Caribbean, Life of Pi, of Waterworld. Maar na een paar dagen verdwijnt de spanning en maakt die plaats voor ongemak. Je loopt soms de muren op. Je voelt je opgesloten of je begint je te vervelen. Het drinkwater uit de grote container begint langzaamaan een vreemd smaakje te krijgen. Uiteindelijk steun je enkel nog op hoop en vertrouwen. Hoop dat er op een dag weer land in zicht is. En vertrouwen dat de kapitein je ernaartoe kan loodsen.

Uiteraard voeren we op 11 december 2009 veilig de haven van Yokohama binnen, terwijl een vrolijke menigte ons opwachtte. Vele vluchtelingen vergaat het anders. Ze vertrekken en laten alles wat ze ooit gekend hebben achter om te gaan ronddobberen op de zee, niet wetend of ze ooit hun doel zullen bereiken, laat staan wanneer. Van hoop en vertrouwen is soms nog maar weinig sprake. Vrolijke menigtes, mja, ook niet echt…

Als ijskoude emmer kon mijn thuiskomst wel tellen. Na een week vol tragische, intense en mooie ervaringen en kennismakingen word je verwelkomd door het nieuws dat Theo Francken gelijk krijgt. Dat Goliath David verpletterd heeft. “Yessss, gewonnen!” Met een massa juichende kiezers achter hem. Hoera, gewonnen! Iets met buitengrenzen en ambassades, maar het voornaamste is dat we die bloedzuigers wat langer kunnen weghouden, en liefst nog wat extra obstakels op hun pad zetten. Misschien worden ze het wel beu om te proberen en druipen ze vanzelf wel af. Of misschien blijven ze hangen in Turkije of Griekenland en hebben wij er alvast geen last van. Opgeruimd staat netjes.

Theo

Wat zou ik graag een paar van mijn verzuurde landgenoten ruilen met de mooie mensen die ik vorige week ontmoette in Griekenland. Kunnen we dat niet organiseren? Een ruilbeurs voor mensen? De prijs van een mensenleven is tegenwoordig toch ook niet zo uitzonderlijk hoog meer.

Samen met mijn huisgenote Marleen trok ik een week naar Chios om vrijwilligerswerk te gaan doen bij een lokale organisatie. Op dit moment verblijven zo’n 1600 vluchtelingen in twee kampen op het eiland nadat ze met bootjes zijn overgekomen vanuit Turkije. In de loop van de week werden we betrokken bij de meeste taken van de organisatie: sorteren van gedoneerde kleding in het magazijn, de dagelijkse afternoon tea in het kamp, meehelpen in de keuken bij de bereiding en verpakking van 736 maaltijden, onthaal van ouders en hun kinderen in een gezinscentrum, standby zijn voor de aankomst van nieuwe bootjes vanuit Turkije en rondvragen in het kamp voor de verdeling van kledij en toiletartikelen.

De eerste dag was ik erg benieuwd naar de afternoon tea en onze eerste rondleiding in het kamp. Hoe zou het eruit zien? Hoe zouden de mensen ons benaderen? De theekannen stonden opgesteld tussen de ingang van het kamp en het strand, waar nog een paar verdwaalde tenten te zien waren. Tientallen mensen kwamen een bekertje thee halen en praatten met de vrijwilligers. Mensen uit Syrië, Irak, Iran, Afghanistan, Ethiopië, Eritrea, Algerije. En meteen werd ik geconfronteerd met mijn vooroordelen. Een groep jongeren speelde met een voetbal, rond een tafel een beetje verder werd er rustig geschaakt. Kinderen liepen tussen ons door of hingen als een aapje te slingeren aan het geraamte van de luifel. Een jonge Syriër kwam met een grote smile en vloeiend Engels kennismaken. Hij was duidelijk de clown van het gezelschap. Hij maakte grapjes en vertelde dat een vriend in het kamp hem Farsi leerde spreken. Ondertussen leerde hij ook een mondje Frans (voorlopig kwam hij nog niet veel verder dan de basiszinnetjes om met meisjes te kunnen flirten) en Grieks om zich op het eiland uit de slag te kunnen trekken. Ook andere mensen kwamen nieuwsgierig en onbevreesd op me af. Anderen lachten verlegen. Een Syrische hipster bekeek het allemaal koeltjes door zijn zonnebril vanop de bank. Hij stelde zich voor als een Digital Marketeer. Was dit nu een vluchteling?

Groep Souda

Ergens in mijn hoofd had ik me voorbereid op kommer en kwel. Op ongelukkige en gefrustreerde reacties. Maar op een of andere manier slagen velen van deze mensen erin om te blijven glimlachen, om te blijven vasthouden aan dat laatste beetje hoop dat hen nog rest. Ook al wonen ze al een jaar in een tentenkamp, met koud water en ranzige toiletten, zonder enige vorm van privacy.

In de loop van de week evolueerde ik van een eenvoudige hulpverlener naar een ‘vriend’. Je begint automatisch te beseffen dat de ‘vluchtelingen’ geen ‘hulp’ van een bereidwillige westerling in een fluohesje verlangen. Liefst van al willen ze iemand om mee te praten, iemand die naar hun verhalen luistert en iemand die hen intellectueel uitdaagt. Liefst van al willen ze zélf de mouwen oprollen en aan het werk gaan, zich nuttig voelen en gerespecteerd. En natuurlijk voelt dat zoveel beter voor alle partijen. Toen we de mensen van het kamp lieten helpen met de bedeling van kledijpaketten of het opstellen van de thee en wij hén eens konden bedanken in plaats van omgekeerd, zag je hen meteen helemaal opfleuren.

Naarmate we de mensen in het kamp beter leerden kennen, kregen we meer en meer verhalen te horen en werd het steeds duidelijker hoe ernstig de situatie was. Sommige jonge mannen wachtten al bijna een jaar in het kamp op toestemming om naar Athene te trekken. Athene is het gouden woord dat op alle lippen ligt. Kampen op het Griekse vasteland zijn alvast een pak beter uitgerust en daar zijn er mogelijkheden. Mogelijkheden op werk, een degelijk onderkomen, een mogelijke doortocht naar West-Europa, al moeten ze daarvoor nog talloze hindernissen overwinnen. Voor jonge mannen is deze droom zo goed als onbereikbaar. Zeker als ze niet uit ‘oorlogsgebied’ komen. Ik sprak met een jonge vluchteling die stilletjes vertelde dat hij homo was. In zijn thuisland riskeert hij de doodstraf, maar oorlog kan je dat niet noemen, dus hij wordt genadeloos onderaan op het lijstje gezet en op termijn waarschijnlijk terug naar Turkije gedeporteerd.

Een Syrische man toonde ons een filmpje van bombardementen en huilende kinderen in Damascus. Halverwege het filmpje liep hij zijn tent binnen zonder iets te zeggen, zichtbaar te geëmotioneerd om nog iets zinnigs uit te brengen. Zijn buurman riep ons binnen in zijn tent. Hij vroeg of we hem aan pijnstillers en krukken konden helpen. Hij was in Syrië opgepakt door de troepen van Assad en genadeloos gefolterd. Op zijn bovenlichaam en benen liet hij de littekens zien van de elektrocutie. De schokken waren toegebracht op de plekken waar het het meest pijn zou doen. Hij vertelde over zijn vrouw en zoontje en liet een schattige foto zien van het kleine jongentje. Zij zaten nog in Damascus en hoopten snel achterna te komen. Dan liet hij een foto zien van zijn dochtertje. Mijn collega vroeg of zij ook nog in Damascus was. De man schudde zijn hoofd en barstte in tranen uit. Zij had de bombardementen niet overleefd.

Er was ook de Algerijnse man die elke dag opnieuw hoopte dat zijn vrouw en kinderen de overtocht naar Chios konden maken. Voorlopig werden ze steeds tegengehouden en teruggestuurd door de Turkse kustwacht. Of het Afghaanse gezin dat op bezoek kwam in het gezinscentrum. Terwijl de schattige kindjes met de plastic diertjes speelden, leerden de vader en ik elkaar de namen van de dieren in het Farsi en het Engels. Zijn Engels was zo goed als onbestaand, maar de woorden ‘Taliban’ en ‘babies’ en de vinger die horizontaal over de keel gaat, dat begrijpt iedereen.

Chios

Maar ook in Chios zijn ze niet volledig veilig. In november vorig jaar werd het kamp waar wij hebben gewerkt van bovenaf bekogeld met rotsblokken en brandbommen, vermoedelijk door aanhangers van de extreemrechtse partij ‘Gouden Dageraad’. Gelukkig liepen de bewoners van het kamp slechts beperkte verwondingen op, maar het maakte meer dan 100 mensen tijdelijk dakloos en het boezemde de vluchtelingen opnieuw angst in. Jammer genoeg spelen ook interne conflicten in het kamp. Ik vermoed dat dat sowieso het geval zou zijn als je honderden mensen maandenlang op een kleine oppervlakte in tenten stopt in slechte leefomstandigheden, maar het blijkt ook dat etnische conflicten vaak nog voor problemen zorgen. Daarnaast ontmoet je ook mensen die persoonlijke problemen hebben die moeilijk opgelost kunnen worden. Een meisje van 17 dat zwanger is en mishandeld wordt door haar vriend. Een Algerijnse drugsverslaafde man die bij gebrek aan drugs of behandeling voortdurend schuimbekkend en agressief rondloopt, op zoek naar dingen om kapot te maken en zijn frustraties op uit te werken. In zijn kielzog liep steeds zijn vriend die zijn hand vasthield, hem probeerde te kalmeren en zich verontschuldigde bij iedereen die hij tegenkwam. Een paar dagen later was hij eindelijk uitgenodigd bij een psychiater, die hem waarschijnlijk de nodige medicatie kon geven. De volgende dag was de man onherkenbaar geworden: beheerst en vriendelijk. Hij kwam aan iedereen vertellen dat ze niet bang moesten zijn van hem. Dat terwijl hij de vorige dag gewoon niet meer kon praten.

Het schrijnende is dat de grote organisaties en instanties weinig ingrijpen in deze situatie. UNHCR heeft tenten geleverd en zorgt voor een aantal financiële bronnen, maar gedurende de week dat ik op Chios verbleef, ben ik er niemand van UNHCR tegengekomen. Ook het Rode Kruis heb ik er niet gezien. Ik heb me ook laten vertellen dat het maanden heeft geduurd voordat er toiletten met stromend water werden geplaatst in het kamp. De kleinere organisaties vullen de hiaten op en bieden een basis van menselijkheid, wat voor de bewoners vaak erg veel betekent.

Het is bewonderenswaardig hoe mensen in deze situatie het hoofd rechthouden en erin slagen om te blijven geven. We werden uitgenodigd in de tenten om thee te komen drinken, werden getrakteerd op een heus Iranees gitaarconcerto, waar we bij gebrek aan een gemeenschappelijke taal gewoon via muziek communiceerden. ‘s Avonds belandden we min of meer per ongeluk in een groepje vluchtelingen die ons uitnodigden om mee te gaan bowlen. Ze stonden erop ons te trakteren. Dat is het kleine beetje trots dat ze nog wel willen behouden.

CESRT

Tenslotte waren er natuurlijk de andere vrijwilligers. Op een week tijd leerden we meer dan 50 mensen kennen, stuk voor stuk met een enorm groot hart. Elke persoon heeft zijn eigen persoonlijkheid en opinies, en die stroken niet altijd, maar wat belangrijk is, is dat de organisaties al bijna 2 jaar standhouden en schitterend werk leveren. Het enthousiasme van al deze mensen werkte bijzonder aanstekelijk en inspirerend.

Een andere organisatie die al een tijdje actief is op het eiland is het Noorse ‘Dråpen i havet’ (de druppel in de zee). Dat is uiteindelijk wat mijn bijdrage geweest is, een druppel in de zee, maar als ik op die week een paar mensen heb kunnen doen lachen en hen even hun situatie hebben kunnen doen vergeten, dan is die druppel voor mij al meer dan de moeite waard geweest.

 

2 Comments
Share Post
2 Comments
  • Rebecca Brando
    Beantwoorden

    Sam, fantastisch dat je dit doet! Zeer inspirerend!
    Ik probeer ook mijn steentje bij te dragen. Op financieel vlak: dokters van de wereld, plan ouders, avaaz, wereldwinkel). Op werkvlak: wij werken met de kinépraktijk samen met het wijkgezondheidscentrum en het OCMW… Veel vluchtelingen, veel miserie… Ik probeer er gewoon te zijn voor de mensen! Doe jij ook! 🙂
    Groetjes,
    Rebecca

    maart 10, 2017 at 2:20 pm

Post a Comment